27 mei 1991 

Ik ben bang, verdrietig en alleen. Intens alleen. Van de mensen om mij heen ben ik bang. De wereld om me heen is groot en onveilig. Het slokt me op en ik kan er niets tegen in brengen. Het is net als een ongeluk… je ziet de auto recht op je afkomen, je beseft wat er gaat gebeuren maar je kunt het niet meer tegenhouden, het gaat te vlug. Ik ben overgeleverd aan die grote boze wereld, met al die nare mensen en ik kan me er niet tegen verzetten. Ik voel geen verzet alleen maar angst. 

Ik sta te wachten op de trein. Ik denk: “ik kan ervoor springen, ik hoef mijn ogen maar te sluiten en me te laten vallen. Dan ben ik van die angst af.” Ik zie de trein aankomen. Het is net een monster met die grote gele ogen en rode bek. Hij kan je vermoorden, hij kan je aan stukken rijten, alsof je niets bent. Juist mijn angst voor deze moordmachine weerhoudt me ervan om te springen. Ik raak steeds meer in de war. Angst om te leven, angst om dood te gaan. Help!! Waar moet ik heen? De trein en de dood laten me niet los. In de trein ben ik ook bang. Ik hoor hoe hij over de rails heen jakkert. Dat geluid snijdt door mijn ziel heen. Als hij over een mens heen rijdt dan zal dat geluid even verstommen totdat de wielen het ijzer van de rails weer raken. IJzer op ijzer daar is geen mensenvlees tegen bestand. Meestal als ik in de trein zit wordt mijn angst minder maar deze keer niet. De mensen in de trein maken me ook bang. Het liefst kruip ik heel ver weg ergens in een hoekje waar niemand mij kan zien.

Het lopen vanaf het station naar Westlinge D* is ook een lijdensweg. Ik schrik overal van. Vooral geluiden. Ik wou dat er iemand bij me was en mijn hand vasthield. Ben zo alleen.
*Westlinge D: afdeling waar ik zat toen ik was opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch. Dat was in Castricum (Noord holland)